De miljardenbusiness van ons collectieve geheugenverlies
Dementie is overal. Het heeft de aandacht van de wetenschap, vult de nationale en lokale beleidsnota's en de vastgoedwereld pikt gretig een graantje mee met de bouw van de ene na de andere 'dementievriendelijke' woonvorm. En logisch ook. Met 18.000 sterfgevallen per jaar kan dementie worden gezien als de doodsoorzaak nummer één in Nederland.
Maar wie door de bomen van de 320.000 mensen met dementie het bos probeert te zien, stuit op een duizelingwekkend cijfer: 31,8 miljard euro. Dat is wat dementie volgens een recent onderzoek - “Impact van dementie. Een kostenanalyse van de inzet en kosten rondom mensen met dementie en hun naasten “- de Nederlandse maatschappij klaarblijk jaarlijks kost. Een bedrag zo abstract dat het bijna betekenisloos wordt. En precies daar wringt de schoen. Want hoe zijn die miljarden berekend en schuilt er achter die miljarden niet een complexe, bloeiende business die weleens haar eigen doel voorbij dreigt te schieten? Wat gebeurt er allemaal met de tientallen miljoenen aan subsidies die binnenstromen bij partijen als Alzheimer Nederland? Eén organisatie die ruim 32 miljoen euro per jaar ontvangt. Bekend van radio-commercials en grote live tv-shows om de harten van de Nederlanders te openen.
De BV Dementie
Er gebeurt fantastisch werk. Instituten zoals het Erasmus MC (met hun wereldwijd bekende ERGO-studie van onderzoeksleider en neuro-epidimoloog Afran Ikram ) verzetten bergen werk om de mysteries van het brein te ontrafelen. En wie wordt er niet warm van Erik Scherder, de nationaal bekende neuropsycholoog die ons via de tv-buis en podia met aanstekelijk enthousiasme aan het musiceren en wandelen krijgt om onze grijze cellen te redden? Of neem hoogleraar en antropoloog Anne Mei The. Zij legt met haar “Sociale benadering dementie” al jaren de vinger op de zere plek. We focussen in Nederland te veel op het medische aspect en het “wegstoppen” in zorginstellingen, terwijl de crux zit in de leefwereld van de “patiënt” thuis. De intenties zijn puur, de inzet is bewonderenswaardig.
Terwijl traditionele verpleeghuizen worstelen met een gezonde besteding van hun enorme budgetten, schieten commerciële, kleinschalige ketens als De Herbergier, Het Gastenhuis, Martha Flora en Dagelijks Leven als paddenstoelen uit de grond. Dementiezorg is “booming business” geworden. Vastgoedfondsen investeren gretig in woongebouwen voor mensen met dementie. Er is een hele markt ontstaan die draait op het faciliteren van de laatste levensfase.
De kilheid van de rekensom
Bijzonder in het recente onderzoek is de post “mantelzorg”. Onder leiding van hoofdonderzoeker Robbert Huijsman (hoogleraar Management en Organisatie van de Ouderenzorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam) werd berekend dat de onbetaalde zorg van naasten de maatschappij ruim 10 miljard euro “kost”. Waarom? Omdat een dochter of zoon minder gaat werken om voor een ouder met dementie te zorgen, of omdat een partner overspannen raakt. Maar sinds wanneer drukken we de liefde voor onze vaders, moeders, opa's en oma's uit in misgelopen BBP?
Wanneer een kind geboren wordt, rekenen we de slapeloze nachten, de luiers en de carrière-pauzes van de ouders toch ook niet door als een “schadepost” voor de economie? Dat noemen we opvoeden, dat noemen we liefde, dat noemen we leven. Volgens het CBS telt Nederland 684.759 kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar. Het aantal jonge kinderen in Nederland is de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald. Het aantal ouderen met dementie vertoont een stijgende lijn.
Waarom krijgt zorg aan het einde van de levenslijn plotseling een prijskaartje alsof het een mislukte bedrijfsinvestering is?
Leven toevoegen of dagen rekken?
De harde realiteit, die we volgens mij liever wegdrukken, is dat het gros van de mensen met dementie ouder is dan 85 jaar. De gemiddelde levensverwachting in Nederland ligt rond de 82 jaar. We hebben het hier dus over mensen die statistisch gezien en bij wijze van spreken aan het einde van hun biologische reis zijn.
En dat brengt mij bij mijn kernvraag bij al het rondpompen van subsidies.
In onze diepmenselijke angst om los te laten, steken we miljarden in het rekken van de allerlaatste levensfase van onze ouderen met dementie. Maar moeten we onszelf niet de pijnlijke vraag durven stellen: zijn we nog bezig met het beschermen van de kwaliteit van hún leven, of zijn we onbewust de vitale toekomst van onze (klein)kinderen aan het hypothekeren voor het verlengen van de dood? Als een carrousel van wetenschappers, consultants, gespecialiseerd vastgoed en kille economische rekenmodellen de overhand krijgt, verliezen we de menselijke maat.
Dementie hoort niet thuis in de omgeving van de geïnstitutionaliseerde langdurige zorg. Net als opvoeden is deze zorg een onvermijdelijk deel van ons bestaan, iets waar we vroeg of laat bijna allemaal mee te maken krijgen. De oplossing ligt dan ook niet in de discussie over meer of minder subsidies, maar in het “thuismaken” van de laatste levensfase. Dat vraagt om kleinschaligheid, maar vooral ook om eigen verantwoordelijkheid. We zullen allemaal een steentje moeten bijdragen voor onze vaders, moeders, opa’s en oma’s.
Regelmatig schrijf ik op Zorgvastgoed.nl columns over de spanning tussen zorg, vastgoed en de menselijke maat. Want de stenen staan er wel, maar de visie kan nog wel wat specie gebruiken.